Reisverhaal Léon van Bon: Innsbruck, het jaar erna

Reisverhaal Léon van Bon: Innsbruck, het jaar erna

Het WK in het Oostenrijkse Innsbruck zit bij Léon van Bon nog vers in het geheugen. Alejandro Valverde en Anna van der Breggen waren de grote helden en hij had een heerlijke week in deze prachtige alpenstad. Innsbruck was even het epicentrum van de wielrennerij, de stad ademde fietsen. Nu, een jaar later, vraagt Léon zich af, wat er overblijft als het WK-circus vertrokken is…

Terug naar Innsbruck

Het is vanuit mijn woonplaats bijna duizend kilometer sturen naar Innsbruck. En omdat we vanwege mijn volle agenda niet zo heel lang in Innsbruck kunnen blijven, bereiden we ons onderweg al een beetje voor. Dus hier alvast wat weetjes: Innsbruck is met 140.000 inwoners ongeveer net zo groot als Maastricht. En zoals Maastricht z’n bestaan én zijn naam aan een doorwaadbare plaats in de Maas te danken heeft, zo heeft een brug over de rivier Inn de stad Innsbruck zijn naam gegeven. Maar ook op andere vlakken laat Innsbruck zich eigenlijk best goed met Maastricht vergelijken, bedenk ik terwijl het asfalt van de A3 pijlsnel onder me door rolt. Waarschijnlijk omdat beide steden een opvallende mix van klassiek en chique enerzijds en hip en progressief anderzijds laten zien. Wat volgens mij in beide gevallen voor een belangrijk deel op het conto komt van de grote studentenpopulatie, die de steden aan de Maas en aan de Inn ondanks hun ouderdom een jeugdige uitstraling verleent. Met als belangrijk verschil dat Innsbruck zich niet tevreden hoeft te stellen met een paar halfbakken heuvels. Nee, rond de Tiroolse hoofdstad liggen échte bergen, met in het noorden de imposante Nordkette en in het zuiden, aan weerszijden van de Brennerpas, de Stubaier en Tuxer Alpen. Oftewel: Maastricht, eat your heart out…

Racefietshotel

Dat de hoogteverschillen hier andere koek zijn merk ik als we de weg naar het dorpje Mutters opsturen, dat op een bergplateau hoog boven de stad ligt. Waarom Mutters en niet Innsbruck? De reden is Hotel Seppl, een hotel dat zich in het huisvesten van wielrenners gespecialiseerd heeft. Dat blijkt al direct bij aankomst, als Marijn, Koert en ik onze racers parkeren in de stalling. Er liggen sloten klaar om onze lievelingen mee vast te leggen, er is een werkbank met gereedschap, er staat een fietsstandaard en buiten is een afspuitplaats. Maar er is meer, vertelt hotelbaas Bernhard Fritz als we hem voor het eten even spreken aan de bar. Zo kunnen we kiezen voor een speciaal sportontbijt, met extra muesli en gezonde sapjes. Ook heeft Bernhard zijn favoriete routes in Komoot gezet, zodat je die in je gps of smartphone kunt zetten. Erg praktisch. En als je dan nog twijfelt; je kunt ook een toer rijden met een van de bike-guides van het hotel. Dat Bernhard echt een liefhebber is, blijkt als hij losbarst over het WK van vorig jaar en de Noorse ploeg die bij hem sliep. Hij geniet nóg na.

Na een prima diner bij Seppl dalen we nog even af naar de stad voor een afzakkertje. Letterlijk en figuurlijk in dit geval. Het is maandagavond en pas eind mei, dus de verwachtingen zijn niet hooggespannen, maar het blijkt desondanks gezellig druk. In de tweede kroeg die we aandoen, een Ierse pub, komt een ‘bevriende’ Belg komt nog even een praatje maken omdat hij zeker weet dat ik Bram Tankink ben. Hij is een beetje aangeschoten en maakt er een hele show van. Altijd gezellig als je een beetje aanspraak hebt…

Eerste rondje

Ik ken de omgeving al wel een beetje, tijdens het WK heb ik verschillende routes gereden. Het is hier prachtig fietsen en echt niet alleen omhoog. Zo loopt er een behoorlijke vlakke route langs de Inn. Om een beetje in te komen rijden wij de eerste dag een kort rondje van net geen 50 kilometer. Maar omdat er meer dan 1000 hoogtemeters in zitten, doen we er toch nog twee uur over. Ondanks het druilerige weer is het lekker fietsen. Marijn, Koert en ik genieten van de muurschilderingen op de huizen, van de schattige minikerkjes die her en der verspreid liggen, van de groene weides en van de weidse uitzichten, vaak met de stad en de Nordkette als decor. Ideaal? Absoluut, want ook de wegen zijn erg goed en automobilisten vriendelijk.

’s Middags gaan we Innsbruck weer in, beetje sightseeën in het oude centrum. We zijn de enigen niet, half China lijkt hier rond te lopen, allemaal op zoek naar het wereldberoemde Goldenes Dachl, het dik 500 jaar oude afdakje met vergulde dakpannen op de erker van de residentie van Keizer Maximiliaan. En inmiddels dus een echte toeristenmagneet. Wij lopen de andere kant op, een smal steegje in op zoek naar Strudelcafé Kröll. Het blijkt een klein maar superleuk café in een oud keldergewelf. We hebben geluk en vinden ondanks de drukte een tafeltje. In de vitrine staat een belachelijke hoeveelheid strudels uitgestald, maar meer blijkt niet altijd beter. Mijn kersenstrudel was okay, maar doe mij een volgende keer toch maar gewoon appel. Om de calorieën nuttig aan te wenden, beklimmen we nog even de stadtturm, de stadstoren uit de 15de eeuw die aan hetzelfde plein staat als het Goldenes Dachl. Om op de uiteindelijke hoogte van 31 meter te komen, moet je 133 traptreden op. Het is de moeite waard, want het uitzicht over de stad en de bergen is ronduit gaaf.

Kühtai

Een van de bekendste klimmen in Tirol is de pasweg naar Kühtai, een skidorp op 2017 meter. Aangezien Innsbruck op ruim 500 meter ligt, kun je op je vingers natellen dat dit een flinke klim is, vooral omdat-ie erg onregelmatig is, met stukken van meer dan 14 procent. Daartegenover staat, dat de weg via Axams en Sellrain goed en rustig is en het landschap ongekend fraai. Alleen oppassen voor loslopende koeien, zeker andersom, als je volle bak naar beneden dendert. De route naar Kühtai vanuit het Ötztal is trouwens bekender, omdat de klim vanaf die kant in de Ötzaler Radmarathon zit. Maar het is natuurlijk ook een prachtige afdaling. Als je dan over het fietspad langs de Inn relaxed weer terugrolt, kom je tot een ronde van 110 kilometer. Wij slaan, om nog wat extra hoogtemeters te pakken, in Kühtai een smal weggetje in dat naar de Finstertaler Stausee voert die zich op 2335 meter bevindt. Er lig nog een dik pak sneeuw. Supervet natuurlijk om daar doorheen te fietsen, maar ook heel koud.

Wist jij dat Jumbo-Visma zijn hoogtestages vaak doet in Kühtai? Dat Kruiswijk en consorten zich hier voorbereiden op de Tour? Er is één hotel dat dan speciaal opengaat voor het team, want voor de rest is het rond deze tijd van het jaar nogal uitgestorven. Als je denkt een cola of een warme chocomel te scoren kom je van de koude kermis thuis, tenzij Jumbo-Visma er is. Dan mag je vast wel even een drankje doen.

De Hel
De hoeveelheid routes rond Innsbruck is enorm. Noord, oost, zuid, west én omhoog, je kunt letterlijk alle kanten op. Maar welke moet je nemen? Zoals gezegd kan je in Hotel Seppl gps-routes krijgen. Maar eigenwijs als ik ben wil ik zélf een route samenstellen. Ik speur de kaart af en ontdek een gravelweg die de Nordkette opslingert, ongeveer 10 kilometer lang. Die wil ik doen! Nadat je de Hölle – die extreem steile klim van het WK –bent opgeklauterd linksaf. “Moet kunnen toch, Bernhard?” “Mmm, nein”, ontkent Bernhard. En zeker niet met onze dunne bandjes. Bovendien ligt er nog te veel sneeuw. Maar had ik je al verteld dat ik eigenwijs ben? Na het royale sportontbijt sturen we onze racers dus noordwaarts de hoogte in, de Nordkette op. Als eerste de Hölle. Drie kilometer met als steilste stuk 25 procent. Het is en blijft een pokkending – ik kom nauwelijks boven. Maar pijn is fijn en dus is de Hölle een aanrader, al was het alleen maar om te ervaren hoe toepasselijk de naam van deze klim is.

Na de Hölle slaan we linksaf een gravelweg op. Dit is vet! Ik rijd op een Specialized Roubaix met 28 millimeter banden. Perfect, maar Martijn en Koert rijden op 25 millimeter en ook dat is prima te doen. Puur genieten, veel mooier wordt het niet. We passeren een restaurant. Ja, aan deze gravelweg zit een restaurant – de Umbrüggler Alm. In de winter voor skiërs, in de zomer voor mountainbikers en wandelaars. Oh ja, en voor een paar mafkezen op een racefiets. We drinken koffie en genieten van het uitzicht. De geur van hout maakt het compleet. “Dit is toch leven”, zeg ik tegen Martijn en Koert. En daar zijn ze het wel mee eens.

We trappen verder omhoog. Af en toe rollen we door een wolk, de sneeuw komt dichterbij. Dan worden we staand gehouden door een verbaasd vrouwtje. Die had hier vandaag duidelijk geen fietsers verwacht. We kunnen niet verder, vertelt ze, boven ons worden bomen weggehaald die zijn omgeduwd door de sneeuw. Balen. Op een bankje met uitzicht over de stad en het Inntal kijken we wat voor alternatieven we hebben. Aangezien die er niet blijken te zijn, rollen we weer naar beneden. Volle bak natuurlijk, want dat is ook mooi op gravel.

Lekkere burger
Om weer bij Seppl te komen moeten we dwars de stad door. Goede gelegenheid even wat verse energie te tanken. We lopen bij Ludwig binnen. Daar eet je de beste hamburgers, zo weet ik nog van mijn vorige bezoek aan Innsbruck. En denk dan niet aan de kleffe hap die je bij de Mac krijgt, maar aan vers en puur. In het hotel pakken we nog even een sauna en praten we wat na in het zwembad. Lekker dit. Als afsluiting drinken we nog even laatste een biertje aan de bar. Wat een mooie dag, spijtig dat het er alweer op zit, maar het is echt tijd om te vertrekken. Als we onderweg naar het noorden de afgelopen dagen de revue laten passeren, zijn we het er over eens dat Innsbruck een toplocatie is om te fietsen, vooral als je nog iets meer wilt dan fietsen alleen. Ik kom nog wel eens terug. Er ligt immers nog een gravelweg die nog bedwongen moet worden. Oftewel: “Wiederschaun Innsbruck!”

Meer info over een (racefiets)vakantie in Innsbruck en omgeving vind je op innsbruck.info.

 

Share this post